Daniël (16/04/2021)

“Het schraapte en sneed en schuurde en galmde door in mijn hoofd en sprak tot een donker hoekje in mijn hart, ergens onder alle lagen hard geworden roest, waarvan ik was vergeten dat het ooit had bestaan.”

Daniël

Ik denk niet dat er in mijn hele leven iemand is geweest die in zo’n korte tijd zo’n blijvende indruk op me heeft achtergelaten als Daniël. Ik kende hem om precies te zijn tien dagen, maar het is alsof die tien dagen zich als een elastiek over mijn hele leven hebben uitgerekt.

De eerste keer dat hij me aankeek vergeet ik nooit meer. Het studiejaar was net vier weken onderweg en alle eerstejaars zaten braaf te luisteren naar de zware, slepende stem van de professor toen de deur van de collegezaal openging en een jongen die ik nog niet kende binnenkwam.

Hij staarde de zaal in en leek zich niets aan te trekken van het feit dat het college was stilgevallen en iedereen naar hem keek. Zijn ogen gleden over de rijen mensen, langzaam steeds hoger, tot zijn blik bleef hangen bij een andere jongen die helemaal alleen, bovenin de hoek zat. Dat was ik.

Hij kantelde zijn hoofd een klein beetje toen hij me zag, alsof hij in een museum was en net zijn oog had laten vallen op een interessant schilderij dat hij eens beter wilde bekijken. Ik voelde me op een rare manier betrapt.

Toen de professor kuchte haalde de jongen zijn schouders op. Hij ging de rijen met banken langs en bleef uiteindelijk bij de mijne staan.

‘Hier is nog wel plek, geloof ik,’ zei hij. Ik maakte plaats voor hem en hij ging zitten.

Na een lang anderhalf uur eindigde de professor het college. Ik had mijn spullen ingepakt en wilde al opstaan toen de jongen een hand op mijn schouder legde. Hoewel hij geen druk zette, was het alsof ik terug in mijn stoel werd geduwd.

‘Ik zie dat er iets bij je dwarszit en volgens mij moeten wij eens met elkaar praten. Ik ben Daniël,’ zei hij en stak zijn hand uit. Ik schudde hem.

‘Mike,’ zei ik en hij knikte, alsof die naam voldeed aan zijn verwachtingen.

‘Dan zie ik je vanavond.’ Hij noemde zijn adres en vertrok. Pas toen hij de zaal uit was realiseerde ik me dat ik de hele tijd was blijven staan om hem na te kijken.

*

Die avond stond ik rond negen uur voor de deur van zijn kamer. Hoewel de voordeur van de studentenflat open had gestaan voelde het alsof ik had ingebroken en dat iemand me elk moment vanuit een donker hoekje kon bespringen. De deuren waren beplakt met stickers en die van Daniël was de enige met een naambordje. Ik klopte aan en wachtte.

‘De kust is veilig,’ klonk het aan de andere kant van de deur en ik deed open.

Ik weet niet wat ik precies van zijn kamer verwachtte, maar achteraf had ik me niets anders voor kunnen stellen. Zijn bed was netjes opgemaakt. Tegen de ene muur stond een boekenkast vol oude, leren en stoffige kaften en aan de andere muren hingen voornamelijk portretten en foto’s van een man die ik niet kende.

Daniël zat met zijn rug naar me toe aan zijn bureau. Hij draaide een half rondje op zijn stoel en glimlachte naar me.

‘Mike,’ zei hij alleen, alsof hij mijn naam nog eens op zijn tong wilde proeven. Toen ik in de deuropening bleef staan en zweeg, wees hij naar niets in het bijzonder en zei: ‘Ga lekker zitten,’ alsof ik bij een psychiater op bezoek was.

Omdat ik nergens in de kamer een tweede stoel of een bank kon vinden nam ik plaats op het bed en keek om me heen. Daniëls blik prikte in mijn zij, maar ik durfde me vooralsnog niet direct tot hem te richten.

‘Je vraagt je zeker af waarom ik vond dat wij eens moesten praten,’ zei hij.

Ik moet eerlijk toegeven dat die vraag nog niet in me was opgekomen, hoe raar dat misschien ook klinkt, maar toch knikte ik.

‘Bij sommige mensen,’ zei Daniël, ‘zie ik niet alleen de persoon zelf, maar tegelijkertijd ook alles wat hem heeft gemaakt tot wat hij is.’

De zin ging als een zeepbel de lucht in en bleef daar hangen. Ik zag de kleuren in elkaar overlopen en geen van ons durfde hem blijkbaar door te prikken, totdat Daniël verder praatte.

‘Ik kan soms zien of iemands hart gebroken is of wanneer iemand vroeger is misbruikt. En toen zag ik jou.’

Hij wachtte en weer voelde ik zijn ogen prikken. Ook nu hield ik mijn ogen gericht op het portret van de man aan de muur. Ik wist wat Daniël ging zeggen.

‘Wie is er overleden?’ vroeg hij.

‘Mijn moeder,’ antwoordde ik en ik schrok van mijn eigen stem. Het was het eerste dat ik die avond had gezegd. Eindelijk haalde ik mijn ogen van het portret af en keek Daniël aan. Hij keek terug, maar hij keek door me heen, alsof er achter mijn ogen een meer interessant universum lag verscholen dan dat waar we op dat moment in leefden.

‘Bij mij was het mijn broertje. Vier jaar geleden is hij overleden. Sindsdien kan ik feilloos de mensen aanwijzen wie iets soortgelijks is overkomen.’

‘En toen ben je naast me komen zitten.’

‘En toen ben ik naast je komen zitten.’

Ik dwaalde weer af naar het portret van de man. Hij was al wat aan de oudere kant, rond de zestig, had stijl zwart haar dat net niet tot zijn schouders kwam en hij keek recht in de camera, met een blik alsof ik het enige object van belang op deze aardbol was.

‘Dat is Nick Cave,’ zei Daniël.

‘En wie is hij verloren?’ De woorden waren mijn mond uit gestruikeld voor ik ze kon stoppen.

Daniël glimlachte, maar al snel betrok zijn gezicht. ‘Een van zijn zoons viel van een klif in Engeland. Je ziet het aan hem – jij vroeg me immers wie hij verloren was -, maar je hoort het ook in zijn muziek.’ Hij pauzeerde en wees naar een andere foto, waarop de man op een podium stond en wees naar iemand in het publiek. ‘Dat doet hij soms,’ ging hij verder. ‘Voordat hij aan een nummer begint kijkt hij dan het publiek in, alsof hij naar iemand op zoek is. Hij maakt oogcontact, een beetje zoals op die andere foto, en dan wijst hij je aan en gaat spelen. Voor jou. Dan ben je tussen die duizenden mensen even alleen met z’n tweeën. Ik ben zelf nooit bij zo’n concert geweest, maar ik kan me voorstellen dat het voelt alsof je wordt aangeraakt door een soort god.’

Hij had dit alles gezegd terwijl hij naar de foto keek en ik naar hem. Ik weet nog goed dat ik me op dat moment afvroeg hoe het zou zijn om hem te kussen, om door hem gekust te worden, om misschien wel onze naakte lichamen tegen elkaar aan te voelen en ik maakte daar meteen de kanttekening bij dat dit niet kwam doordat ik plots op mannen viel, maar doordat dit een nieuw soort liefde was, een soort liefde die ik nog niet kende, liefde in de vorm van oprechte aandacht.

Hij pakte een plaat uit een van zijn kasten en zette zijn draaitafel aan. De kamer vulde zich met instrumenten die samen leken te smelten en de stem van de man op de foto. Daniël en ik luisterden hoe Nick Cave de avond overnam en we merkten maar amper dat de wereld om ons heen zich beperkte tot zijn stem. Het schraapte en sneed en schuurde en galmde door in mijn hoofd en sprak tot een donker hoekje in mijn hart, ergens onder alle lagen hard geworden roest, waarvan ik was vergeten dat het ooit had bestaan.

*

Ik realiseer me dat Daniël nooit op mijn kamer is geweest. Hij heeft er nooit om gevraagd en ik heb het nooit aangeboden, omdat er op mijn kamer niet bijster veel te beleven was, en dus hebben we die tien dagen voornamelijk samen in zijn kamer doorgebracht.

Het was in die kamer dat we zo goed als het hele oeuvre van Nick Cave hebben beluisterd en hebben gepraat over alles wat er in ons opkwam. We praatten over de films die we onlangs hadden gezien en over onze favoriete boeken (Ovidius’ Metamorfosen voor hem, No longer human van Osamu Dazai voor mij). We praatten over de nieuwste videogames die waren verschenen en over Hitler en we speelden met het idee dat Hitler in zijn leven misschien gewoon een tekort aan liefde had gehad en dat zelfs dat op een rare manier ook een klein beetje zielig was. Daniël zei dingen als: ‘Je kunt heel dichtbij zijn als je eigenlijk ver weg bent,’ en ik deed alsof ik dat begreep. Ik zei dingen als: ‘Soms wil ik niets liever dan verdwijnen,’ en dan zei hij dat ik loog en volgens mij had hij gelijk. We praatten over hoe mijn moeder aan kanker was overleden en hoe zijn broertje was aangereden en over hoe oneerlijk het was dat we daar niks aan konden doen en dat het soms onmogelijk leek om ooit weer te lachen, maar dat het nu eenmaal was zoals het was, maar ook dat zoals het was wel gewoon kut was, echt extreem en ongelooflijk kut was.

Al met al is Daniël dus nooit op mijn kamer geweest. Wel moet hij ooit een keer voor mijn deur hebben gestaan, al heb ik geen idee hoe hij achter mijn adres is gekomen. Het was de tiende dag en ik zat na college op mijn kamer toen er een briefje naar binnen werd geschoven.

Kom vanavond om 21:00 naar de brug. Ik wil je iets laten zien.

D.

Ik wist over welke brug hij het had. Hij had me er enkele dagen geleden ook al heengebracht en toen hebben we daar een tijdje over de stromende rivier uit staan kijken. Hij leek iets te zien wat ik niet zag, maar ik had er niet naar gevraagd. Misschien ging hij het me die avond uitleggen.

Om even voor negen kwam ik bij de brug aan. Daniël was er nog niet en dus ging ik met mijn rug tegen de reling staan en wachtte. Na een kwartier was hij nog steeds nergens te bekennen. Ik begon net te vermoeden dat dit misschien een stomme grap van mijn huisgenoten was toen mijn telefoon ging. Daniël.

‘Waar ben je?’ vroeg ik toen ik opnam. Mijn hart klopte sneller dan normaal en ik voelde hoe zelfs de klank van zijn adem aan de andere kant van de lijn me deed kalmeren.

‘Draai je om,’ zei hij.

Ik deed wat hij zei en staarde over het water.

‘Zie je me?’ vroeg hij. ‘Ik sta aan de overkant.’

En toen zag ik hem, een klein stipje op een brug, een paar honderd meter van die waar ik op stond vandaan.

‘Wat doe je daar?’ vroeg ik.

‘Kijken,’ antwoordde hij. ‘Niets meer zeggen, alleen maar kijken. Onafgebroken oogcontact.’

De lijn viel stil. Ik stopte mijn telefoon in mijn broekzak en leunde op de reling en volgens mij deed hij hetzelfde.

Dus, daar stonden we. Hij op de ene brug, ik op de andere en we keken naar elkaar. Straks zou hij na ik weet niet hoe lange tijd zijn hoofd laten zakken, zich omdraaien en in de mensenmassa verdwijnen, zonder ooit nog iets van zich te laten horen. Ik zou uiteindelijk ook terug naar huis strompelen en de komende dagen zou ik hem proberen op te zoeken, zonder succes. Ik zou langs zijn studentenhuis gaan en zijn huisgenoten zouden me vertellen dat hij van de ene op de andere dag zijn spullen had gepakt en was vertrokken en ze zouden niet weten waarom. Ik zou pas na een maand ophouden met zoeken en nooit meer iets van hem vernemen, maar toch zou ik de rest van mijn leven het gevoel blijven hebben dat hij nog ergens was, dat hij me vanuit een donker hoekje gadesloeg om te kijken of alles nog goed met me ging. Op een rare manier zou ik hem nooit écht missen, omdat, zoals ik al zei, die tien dagen dat ik hem kende zich uiteindelijk als een elastiek hebben uitgerekt over mijn hele leven.

Maar nu stonden we daar nog. Hij en ik, gescheiden door water. Om ons heen voelde ik de mensen en de auto’s en de bussen en de wereld doorgaan zonder acht op ons te slaan, maar wij stonden stil en keken naar elkaar. Nee, we keken niet, we zagen elkaar en alles wat we waren. Ik wist dat hij me niet zou kunnen horen als ik alles wat ik in me had uit me zou proberen te schreeuwen, maar dat hij ongetwijfeld mijn pijn zou voelen en op dat moment begreep ik wat hij had bedoeld toen hij zei dat je soms heel dichtbij kunt zijn als je eigenlijk ver weg bent. Daar op die brug, met de ogen van Daniël als die van een god eindeloos op mij gericht, werd ik bevangen door de kracht van dit alles, hoorde ik de stem van mijn moeder ergens weerklinken in mijn hoofd en barstte ik in tranen uit.

Ik werd aangeraakt.

2 reacties

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s