Die keer dat ik het kerstfeest redde (25/12/2020)

“Geloof het of niet, maar het gezicht van de ijsbeer betrok en hij liet een diepe zucht. En alsof dat nog niet genoeg was begon hij even later ook nog eens terug te praten.”

Die keer dat ik het kerstfeest redde

Zoals u onderhand misschien al weet heb ik een hoop meegemaakt. Er zijn er maar weinig die mijn verhalen geloven en dat vind ik spijtig. Ik verzin namelijk niets. Echt niet. Ik zou het niet durven u te bedriegen. Ja, ik moet toegeven dat mijn verhalen vaak uit de duim gezogen lijken, dat er dingen in gebeuren die zeer onwaarschijnlijk of zelfs onmogelijk zijn, maar toch moet ik u smeken mijn geschiedenissen te geloven. Het zou mij in mijn eer aantasten als u mij houdt voor een leugenaar. Daarnaast heeft u ook uzelf ermee, want als u tijdens het luisteren constant bij uzelf denkt dat wat ik zeg onzin is, dan blijft er weinig tijd over om het naar uw zin te hebben. Daarom zeg ik nog een keer: alles wat ik schrijf is écht gebeurd.

Het is vandaag eerste kerstdag. En ja, u heeft gelijk wanneer u zegt dat ik vaker wel dan niet een nuchtere man ben die weinig waarde hecht aan feestdagen en zou ik dit verhaal misschien achterwege laten, maar dit jaar is het anders. Misschien komt het doordat ik mijn avonturen ben op gaan schrijven en daardoor iets melancholischer ben geworden. Of misschien komt het doordat het buiten veelal donker is en ik toe ben iets met een lichtpuntje op papier te zetten. U verdient dat ook wel, een lichtpuntje. Daarom zal ik u vertellen van die keer dat ik het kerstfeest redde.

Ik was 13 jaar oud en geloofde natuurlijk niet meer in de kerstman. Hoewel dat een vanzelfsprekendheid is voor de meesten, was dat voor mij zeker niet zo. Drie jaar daarvoor leefde ik nog in de volle overtuiging dat de kerstmand bestond. Ja, u hoort het goed. Zelfs in groep 7 was ik er nog heilig van overtuigd dat de kerstman woonde in een klein hutje op de noordpool. De andere kinderen lachten me uit, maar eigenwijs als ik was (en nog steeds ben) deed ik net of ik doof was. Ik bleef trouw mijn verlanglijstje schrijven en wanneer Kerst voorbij was en ik de cadeautjes had gehad waar ik om had gevraagd deed ik altijd netjes een bedankbrief op de post, gericht aan: De Kerstman, de Noordpool. De postbode zou hem vast en zeker weten te vinden, daar vertrouwde ik op.

In de eerste klas van de middelbare begonnen echter tóch de twijfels. Ik kreeg meer verstand en stelde steeds meer vragen aan de wereld die ik vaak zelf moest beantwoorden. Zo had ik bijvoorbeeld altijd van mijn ouders aangenomen dat baby’s werden gebracht door een ooievaar, maar na verloop van tijd begon ik me te realiseren dat ik zo’n beest nooit met een baby in zijn snavel had gezien en heb ik het échte verhaal geëist. Ook had ik me neergelegd bij het feit dat mijn tanden uit mijn mond zouden vallen als ik meer dan vijf snoepjes op een dag zou eten, maar toen ik op een kinderfeestje iedereen snoepjes naar binnen zag proppen alsof hun levens er vanaf hingen bleek ook dat een leugen te zijn. Ik begon dus steeds meer aan alles te twijfelen en alsof het allemaal al niet erg genoeg was begon ik ook steeds meer tegenstrijdigheden en onregelmatigheden te zien in het bestaan van de kerstman. Zijn baard verschilde bij verschillende gelegenheden van lengte en zijn stem was de ene keer lager of hoger dan de andere keer. Toen ik het vroeg aan mijn ouders bevestigde ze mijn vermoeden: de kerstman bleek niet te bestaan.

De fantasiewereld die mijn ouders door de jaren heen hadden opgebouwd was dus zo goed als volledig afgebrokkeld. Waar dat bij andere kinderen misschien voor rust en helderheid in het hoofd zorgt, was de eindstand bij mij dat ik mijn leven niet meer zeker was. Althans, ik vreesde niet dat ik elke dag zomaar dood neer kon vallen, maar ik vroeg me wel af of de realiteit waarin ik leefde de echte werkelijkheid was en zodoende had ik op mijn dertiende al last van een existentiële crisis: elke vorm van fantasie en geloof was uit mijn leven geperst als het laatste beetje tandpasta uit een tube en ik ging mijn dertiende levensjaar in met de overtuiging dat de wereld eigenlijk niets meer was dan een lege, dorre vlakte.

Dat klinkt allemaal misschien wat overdreven uit het brein van een dertienjarige, maar u moet niet vergeten dat ik inmiddels gepensioneerd ben, dat er een enorme hoeveelheid tijd voorbij is gegaan en dat ik dingen anders herinner of uitvergroot in mijn hoofd. In ieder geval is het zeker dat ik de tweede klas van de middelbare school als een jaar ervaarde dat meer zwart-wit was dan de andere jaren. De lol was eraf, ik kon minder lachen. Mijn fantasie was de kop ingedrukt en mijn wereld was aldus gereduceerd tot hetgeen wat ik letterlijk voor me zag, en wat ik voor me zag was een school met kinderen die onaardig waren en vakken die ik niet snapte of niet wilde snappen.

Toen dat jaar de Kerst om de hoek kwam kijken, was ik best toe aan een beetje kleur. En omdat ik die niet zou vinden in mijn huis, op straat of bij mijn vrienden uit die tijd, moest ik het zelf op zoeken. Ik besloot dat het mijn missie werd om mijn eigen ongelijk te bewijzen. Het kón immers niet zo zijn dat de wereld zo grijs en fantasieloos was als ik dacht dat hij was. Er moest nog een klein beetje magie overblijven, al was het maar datgeen wat ik er zelf inbracht.

En dus was voor de dertienjarige Wim de enige oplossing het stoppen met de neetjes en nietjes, en via het grote misschien over te gaan op de jaatjes en welletjes. De kerstman bestond dus niet meer niet, maar hij bestond misschien en het was aan de kleine Wim de taak om te bewijzen dat hij wél bestond. Met die instelling in mijn achterhoofd ging ik op 20 december uit bed, smeerde een stuk of tien boterhammen en trok mijn jas aan.

Ik stond al in de gang toen mijn moeder de tussendeur open deed en aan me vroeg waar ik naartoe dacht te gaan.

‘Naar de kerstman,’ zei ik.

Mijn moeder lachte, veronderstelde waarschijnlijk dat ik met wat vriendjes naar een winkelcentrum zou gaan en wenste me veel plezier. Ik trok de deur achter me dicht, zorgde ervoor dat mijn rugzak comfortabel zat en met tien boterhammen met kaas en een flesje water ging ik op weg naar mijn fantasie.

*

Toen ik bij de kust van Scheveningen was aangekomen waren drie van mijn tien boterhammen reeds op en had ik de helft van mijn flesje water al leeggedronken. Toch was ik niet ontmoedigd, ik kon immers niet meer terug ik zou vast en zeker een manier vinden om ongehavend op de noordpool aan te komen. Ik zou niet terugkeren tot ik had bewezen tot de kerstman echt was. Ik zou er jaren rondslenteren, ik zou leren hoe ik speren moest maken om te jagen en ik zou rondlopen in de zelfgemaakte jassen van het vacht dat ik van de dieren gewonnen had. Dat is wat ik voor me zag toen ik daar op het strand stond, de kleine Wim als onderdeel van de wilde natuur op het topje van de wereld en ondanks dat het daar koud was kreeg ik van dat beeld een warm gevoel van binnen.

Ik was met voorbedachten rade naar de kust gewandeld en mijn wensen bleken verhoord. Aan het water lag een kleine roeiboot, met niemand in de buurt die er iets van kon zeggen als ik hem zou claimen, er was natuurlijk geen hond op het strand in december.

Maar ik wel, en dus legde ik mijn rugzak in het bootje, duwde het ding ter water en sprong er zelf net op tijd in voor mijn voeten nat werden. Zo dobberde ik langzaam maar zeker van de kust af, maar op de een of andere manier leek het net alsof ik stil bleef drijven en het juist het land was dat van me weg kroop. De huizen werden kleiner, mensen waren niet meer van elkaar te onderscheiden en ik vond dus dat het tijd was om mijn blik ergens anders op te richten. Ik haalde mijn kompas die ik ooit van mijn vader had gekregen uit mijn zak, ging met mijn rug naar het noorden zitten – zoals ik altijd op t.v. zag – en begon achteruit te roeien. Jawel, dames en heren, de kleine Wim Jacobs was op weg.

Hoewel mijn omgeving die dagen eigenlijk alleen maar bestond uit een bootje omringd door eindeloos water is er toch nog wel het een en ander te vertellen. U bent natuurlijk benieuwd hoe een jongen van dertien in een houten roeibootje van Nederland naar de noordpool is geroeid met niets meer dan zeven boterhammen en het halve flesje water dat hij overhad. Ik zal het enigszins proberen samen te vatten, maar u moet er vooral niet te veel vraagtekens bij zetten, dat verpest het alleen maar.

Het roeien ging soepeler dan ik had verwacht. Ik had het kompas op mijn schoot gelegd ging alsmaar rechtdoor zonder over al te veel dingen na te denken. Natuurlijk hadden we in die tijd nog geen telefoons en dus kon ik nergens zien waar ik was, maar ik had van te voren mijn route uit mijn hoofd geleerd en gekeken naar de landen die ik zou passeren en voor mijn gevoel ging ik rap. Misschien zou ik onderweg ergens tegen Noorwegen opbotsen, maar dan kon ik er makkelijk omheen en mijn weg vervolgen. Misschien zou het me nog wel lukken om ergens het noorderlicht te zien.

Toen de zon op de eerste dag langzaam onderging zag ik links van me in de verte eilanden liggen, waarvan ik veronderstelde dat het de Waddeneilanden waren. Ik zwaaide het laatste beetje Nederland dat ik de komende tijd zou zien uit en roeide de nacht in.

Ik had nog vijf boterhammen en een kwart flesje water over en ik besloot dat ik nog maar één boterham per dag zou eten en een half slokje water mocht drinken. Ik vervloekte mezelf dat ik zo dom was niet meer te maken, maar ik was vastberaden mijn bestemming te halen. Ook in de nachten zou ik doorgaan. Aan de ene kant zodat ik dan sneller op de noordpool aan zou komen, maar aan de andere kant ook omdat ik niet zo goed durfde te slapen in mijn bootje. Wie weet zou ik terugdrijven, waardoor ik er nog langer over zou doen, of misschien was er een of andere grote vis die in het donker mijn bootje niet had zien liggen en er zó hard tegenaan stootte dat hij om zou kieperen en ik in het water zou kletteren.

Ook vond ik de nacht stiekem best mooi. Hier op het water was er nergens licht van lantaarnpalen en ook de lucht had nog niet de kans gehad vervuild te raken en dus was de hemel helder als glas. De sterren keken op me neer, moedigde me aan om verder te gaan.

Ik vroeg me af hoe het thuis was. Waarschijnlijk waren mijn ouders op dat moment in paniek, misschien hadden ze de politie al gebeld. Als ze niet snel van me zouden horen zouden ze zoekacties gaan houden, misschien zouden ze op camera’s zien hoe ik in mijn bootje ben gestapt en weg ben geroeid. Het zou dus zomaar kunnen dat ik de volgende dag uit mijn bootje zou worden getild door een helikopter en dan was heel mijn reis voor niets geweest.

Maar dat gebeurde niet. Het bleef stil op het water, ik roeide alsof ik op de olympische spelen zat en het rantsoeneren van mijn voedsel en drinken leek een soort van te werken. Natuurlijk had ik honger, maar het ging. Als ik eenmaal aan zou komen op de noordpool zou ik vast wel een manier vinden om eten te vinden.

Dat bleek echter tegen te vallen. Na vijf lange dagen kwam ik op de eerste kerstdag eindelijk aan land, waarvan ik zeker wist dat het de noordpool moest zijn. Ik zag niets dan kilometers sneeuw en de koude wind sneed door mijn jas als een mes door het wateroppervlak. Ik sleepte het bootje op de sneeuw, deed mijn rugzak weer om, ondanks dat hij ondertussen volledig leeg was geraakt en begon aan mijn zoektocht naar het hutje van de kerstman.

Dat klinkt misschien alsof ik zomaar huppelend weer op pad ging, maar dat was niet zo. Ik was kapot. Mijn maag knorde aan één stuk door, mijn ogen vielen constant dicht en mijn benen stonden op het punt het te begeven. Daarnaast voelde het ook nog eens alsof mijn armen verlamd waren, na het lange roeien. Ik kon dus zo goed als niks meer, maar toch ging ik door. Op zoek naar de kerstman. Hij zou redding brengen.

De noordpool was vlakker dan ik had gedacht en ook de weeromstandigheden waren te doen. Ik had verwacht dat er constant een harde wind stond die de sneeuw in mijn gezicht zou blazen, maar in werkelijkheid scheen de zon, sneeuwde het niet en ook de wind was lang geen hevige storm. Ik kon ver vooruit zien en een houten hutje zou dus makkelijk opvallen.

Waar ik echter geen rekening mee had gehouden, waren de dingen die in het grote wit niet op zouden vallen. En zo geschiedde het dat de kleine Wim Jacobs die middag plotseling oog in oog stond met een reusachtige ijsbeer. Het beest gromde en keek me indringend, maar ook een beetje nieuwsgierig aan.

Ik had geen idee wat te doen. Rennen kon ik niet, want de ijsbeer zou me makkelijk inhalen. Vechten kon niet, want dan zou ik sowieso dood zijn. Bij gebrek aan beter trok ik dus mijn mond open en zei: ‘Ik kom voor de kerstman.’

Geloof het of niet, maar het gezicht van de ijsbeer betrok en hij liet een diepe zucht. En alsof dat nog niet genoeg was begon hij even later ook nog eens terug te praten.

‘Het is die kant op,’ zei het beest en wees over zijn schouder. ‘Alsmaar rechtdoor en dan kom je er vanzelf.’

Ik stond perplex. Had ik dat goed gehoord? Had er zojuist een ijsbeer tegen me gesproken? Misschien was het de lange tocht die ik achter de rug had, dat ik na het tekort aan slaap dingen begon te zien die er niet waren.

‘Be… bedankt,’ stamelde ik.

‘Geen probleem. Doe hem maar de groeten van Boris,’ zei hij en draaide zich om.

‘Wacht!’ riep ik. ‘Zou ik misschien… ik ben nogal moe van mijn lange reis.’

‘Ah, en nu wil je zeker bij mij achterop?’

Ik knikte.

De beer dacht even na. Waarschijnlijk had hij wel wat betere dingen te doen dan het brengen van een klein kind naar de kerstman, maar uiteindelijk liep hij toch op me toe. ‘Klim maar achterop. Dan kan ik zelf ook meteen even gedag zeggen.’

Daar was ik dan. Na vijf dagen roeien in een boot aangekomen op de noordpool en op de rug van een ijsbeer rijdend naar de enige echte kerstman. Ik kon nog steeds niet geloven dat dit allemaal echt was en om eerlijk te zijn verwachtte ik elk moment in mijn bootje, of nog erger: in mijn bed wakker te worden. Ik besloot er verder niet te lang over na te denken, want echt of niet: het was prachtig.

 Na een tocht van ongeveer een half uur kwamen we tot stilstand bij een klein houten hutje, precies zoals ik het in mijn gedachten had voorgesteld. Het was bedekt met sneeuw, maar toch wist je dat het er binnen heerlijk warm zou zijn.

Ik stapte van de rug van de ijsbeer af, liep naar de deur en klopte aan.

Er kwam geen reactie.

Ik klopte nog eens. ‘Kerstma… ehh, meneer? Meneer de kerstman?’ probeerde ik, maar weer bleef het stil. Ik draaide me om naar Boris.

‘Hij zou thuis moeten zijn,’ bromde hij.

Ik probeerde het nog een laatste keer en zei: ‘Ik ben vanaf Nederland in een roeiboot en op de rug van Boris hiernaartoe gekomen om te kijken of u bestaat. Ik zou u graag ontmoeten.’

Eventjes was het nog steeds alleen de wind die we hoorden, maar plots waren daar toch vaag zware voetstappen te onderscheiden. Niet lang daarna ging de deur krakend open. ‘Kom binnen,’ zei een zware stem.

Boris en ik stapte het hutje binnen en zochten en plek bij het vuur om op te warmen. Een wat oudere man met een witte baard, aangekleed in een rood met wit pak deed de deur achter ons dicht, slofte naar de bank en plofte neer. Waar de kerstman normaal gesproken een sfeer van vrolijkheid bij me teweegbracht, kon ik het gevoel niet verdringen dat er die dag niet gelachen zou worden. Onder zijn ogen hingen wallen, zijn armen hingen slap langs zijn lichaam.

‘Moet u geen cadeautjes brengen bij de kinderen?’ vroeg ik. ‘Het is eerste kerstdag.’

De kerstman haalde zijn schouders op.

‘En al die kinderen dan?’

‘Het heeft toch allemaal geen zin meer,’ zei hij na een tijdje. ‘Niemand gelooft nog in de kerstman. Ik besta niet meer. Waarom zou ik cadeaus geven aan een wereld die mij gebruikt als marketingstrategie?’

‘En ik dan? Ik ben hier niet voor niets naartoe gekomen.’

Wederom haalde hij zijn schouders op.

Hierop liet Boris een diepe grom horen. ‘Even luisteren nu, kerstman. Deze jongen hier is in zijn eigen land in een bootje gestapt, is hiernaartoe komen roeien om zich er op de noordpool van te overtuigen dat er nog een beetje magie is in de wereld, en dan komt ‘ie terecht bij een depressieve kerstman. Wat is dat nou? Als het iets is, is deze jongen het bewijs dat er nog wél geloof is, dat alles niet voor niets is.’

De kerstman staarde een tijdje voor zich uit, leek de woorden in zich op te nemen, te proeven op zijn tong. Toen richtte hij zich uiteindelijk langzaam op en keek ons aan met een blik die hij zonet nog niet had, de wallen vielen bijna niet meer op.

‘Oké,’ zei hij. ‘Dan kunnen we maar beter aan de slag gaan. We hebben een kerstfeest te redden.’

Dus zo geschiedde het dat de kerstman, Boris en ik de handen ineen sloegen. We riepen de elfjes bij elkaar, werkten als nooit tevoren en aan het eind van de middag was het ons tegen alle verwachtingen in gelukt om een slee vol met zakken cadeautjes te vullen.

Ik was net bezig met het koppelen van de slee aan de rendieren toen hij bij me kwam staan.

‘Zo, Wim,’ zei hij. ‘Dat hebben we toch maar mooi gedaan.’

Ik knikte, wist niet zo goed wat ik moest zeggen.

‘Ik denk dat ik niet te veel zeg als ik zeg dat het mede dankzij jou is dat de kinderen dit jaar alsnog cadeautjes krijgen. Als bedankje zou ik het leuk vinden als je met me mee gaat in de slee om de cadeautjes te brengen. Dat heb je verdiend.’

Natuurlijk kon ik daar geen nee tegen zeggen. Ten eerste zou ik dan een van de weinigen zijn die konden zeggen te hebben gevlogen in de slee van de kerstman, en ten tweede had ik geen zin om terug naar huis te roeien.

Die avond was alles gereed. Ik stapte naast de kerstman in en na Boris te hebben bedankt en uitgezwaaid stegen we op. Urenlang zweefden we over land en water, tot de kerstman me uiteindelijk wees op een paar kleine eilandjes in de zee.

‘Kijk, daar zijn de wadden,’ zei hij. ‘We zijn thuis.’

We sjeesden door het land en over huizen. De duizenden kleine lichtjes van de huizen leken me allemaal als oude vrienden te verwelkomen en ik keek mijn ogen uit. Ik keek op naar de kerstman.

‘Mag ik iets vragen?’ vroeg ik.

‘Uiteraard.’

‘Nou, ik vroeg me af… is dit allemaal echt, of is dit gewoon een droom?’

De kerstman lachte. ‘Mijn jongen toch,’ zei hij. ‘Dat is een vraag waarvan het antwoord eigenlijk helemaal niet uit zou moeten maken.’

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s